NBG-samenkomsten

NBG-samenkomsten
Zaterdag 11 april 2020

Het proces tegen JEZUS – de doofpot

Welkom en gebed (Pia)

Zingen: Nw. Liedboek 590: 1, 2 en 3
1. Nu valt de nacht. Het is volbracht;
de Heer heeft heel zijn leven
voor het menselijk geslacht
in Gods hand gegeven.

2. De wereld gaf Hem slechts een graf,
zijn wonen was Hem zwerven;
al zijn onschuld werd Hem straf
en zijn leven sterven.

3. Hoe slaapt Gij nu, die men zo ruw
aan ’t kruishout heeft gehangen.
Starre rotsen houden U,
rots des heils, gevangen.

Schriftlezing: Mattheüs 27: 62-66 en 28: 11-15 (NBG ’51) (Corella Wiersma)
De volgende dag, dat is na de Voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën gezamenlijk tot Pilatus, en zij zeiden: Heer, wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft: Na drie dagen word Ik opgewekt. Geef daarom bevel het graf te verzekeren tot de derde dag;

anders konden zijn discipelen Hem komen stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden, en de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste. Pilatus zeide tot hen: Hier hebt gij een wacht, gaat heen en verzekert het naar uw beste weten. Zij gingen heen en verzekerden het graf met de wacht, na de steen verzegeld te hebben.

Toen zij onderweg waren, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad om de overpriesters al het gebeurde te berichten. En in een vergadering met de oudsten kwamen zij tot een besluit en zij gaven de soldaten veel geld, en zij zeiden: Zegt, zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen.

En indien dit de stadhouder ter ore komt, wij zullen het in orde brengen en maken, dat gij buiten moeite blijft. En zij namen het geld aan en deden zoals hun gezegd was.
En dit gerucht is onder de Joden verbreid tot [de dag van] heden toe.

Schriftlezing: Mattheüs 27: 62-66 en 28: 11-15 (BGT) (kind Wiersma)
De volgende dag was het sabbat. Een groep priesters en farizeeën ging naar Pilatus toe. Ze zeiden: 'Heer, we willen u iets vragen. Toen die bedrieger Jezus nog leefde, heeft hij gezegd: 'Drie dagen na mijn dood zal ik opstaan uit de dood.' Wilt u daarom opdracht geven om het graf drie dagen lang te bewaken?

Anders komen zijn leerlingen het lichaam stelen en dan zeggen ze tegen het volk: 'Jezus is opgestaan uit de dood!' En daarmee zullen ze het volk nog erger bedriegen dan Jezus al deed.'
            Pilatus antwoordde: 'Jullie krijgen soldaten mee om het graf te bewaken. Doe verder zelf wat jullie nodig vinden.'

De priesters en de farizeeën gingen naar het graf. Ze zorgden ervoor dat niemand het graf zomaar kon openmaken. En ze gaven de soldaten opdracht om voor het graf te blijven staan.

De vrouwen gingen op weg naar de leerlingen. Intussen gingen een paar van de soldaten die het graf moesten bewaken, naar de stad. Ze vertelden alles wat er gebeurd was aan de priesters.
Toen maakten de priesters en de leiders van het volk een plan. Ze besloten om de soldaten veel geld te geven. Ze zeiden tegen hen: 'Jullie moeten vertellen dat de leerlingen het lichaam van Jezus gestolen hebben.

Zeg maar dat ze 's nachts gekomen zijn, terwijl jullie sliepen. Als Pilatus ervan hoort, gaan wij wel met hem praten. Wij zorgen ervoor dat jullie geen problemen krijgen.' De soldaten namen het geld aan, en deden wat de priesters gezegd hadden.
Het verhaal dat de priesters bedacht hadden, wordt nog altijd bij de Joden verteld.

Zingen: Johannes de Heer 33: 1, 2 en 3
1.  Er ruist langs de wolken een lieflijke Naam,
Die hemel en aarde verenigt te zaam.
Geen naam is er zoeter en beter voor 't hart.
Hij balsemt de wonden en heelt alle smart!
Kent gij, kent gij, die Naam nog niet?
Die Naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied!

2. Die Naam is naar waarheid mijn Jezus ook waard,
Want Hij kwam om zalig te maken op aard'.
Zo liefhad Hij zondaars, dat Hij voor hen stierf.
Genade bij God door Zijn zoenbloed verwierf.
Kent gij, kent gij, die Jezus niet,
Die om ons te redden de hemel verliet?

3. Eens buigt zich ook alles voor Jezus in 't stof,
En d'engelen zingen voortdurend Zijn lof.
O, mochten w'om Jezus verheerlijkt eens staan,
Dan hieven wij juichend de jubeltoon aan:
Jezus, Jezus, Uw Naam zij d'eer,
Want Gij zijt der mensen en engelen Heer!

Overdenking: ds. Gerwin Pruijssen

Muzikaal moment: Jan Zuidhof

Gedicht: (Annet)
Wachter bij het graf
E. IJskes-Kooger
Ik weet wel dat ze mij nog steeds bedreigen,
maar nu ik sterf komt niets er meer op aan.
Nu wil ik zeggen wat ik moest verzwijgen,
dan kan ik rustig tot mijn vaad’ren gaan.

Ik stond op wacht, met andere soldaten,
bij ’t graf van Jezus, die gekruiste Jood.
We hielden ’t graf voortdurend in de gaten,
al wist ik niet waarom, want Hij was dood.

Wel scheen ’t dat Hij gezegd had bij Zijn leven
dat Hij weer op zou staan vanuit het graf,
maar op z’n minst vond ik het overdreven
dat een Romein gehoor aan zoiets gaf.

Zo’n nacht duurt lang, ik stond mij te vervelen,
en hoopte heim’lijk op een zwaardgevecht.
Er was een kans dat men het lijk zou stelen:
dit had de commandant althans gezegd.

Maar er gebeurde niets, tot het begon te dagen.
Nòg weet ik niet wat er nu eerder was:
het vallen van de steen, of het gedragen
geluid van duizend voeten op het gras.

De grond bewoog, alsof de aarde zuchtte.
Een bliksemflits! Een donderslag weerklonk.
Ik zag nog dat de andere wachters vluchtten
maar ik keek naar de open grafspelonk.

Hij kwam, en lichtte als het ochtendgloren
en als een bloem die juichend opengaat.
Hij was volmaakt, als uit Gods schoot geboren,
Zijn ogen blonken als de dageraad.

Toen ging ik heen, maar in de stad gekomen
geloofde men geen woord van mijn verhaal.
Men smaalde dat Zijn lijk was weggenomen
terwijl wij wachters sliepen, allemaal.

Men bood mij geld, als ik dit rond wou strooien:
dat ik gedroomd had ginder bij het graf.
Voor geld ging ik mijn eer te grabbel gooien,
maar van die Jezus kwam ik nooit meer af.

Ik weet het, het was laf dat geld te kiezen
en met een leugen ’t leven door te gaan.
Nu echter heb ik niets meer te verliezen,
nu zeg ik het: Toch is Hij opgestaan!

Stiltemoment
Gebed (ds. Gerwin Pruijssen)


Zingen: Johannes de Heer 543: 1, 2, 3 en 4
1. 'k Heb geloofd en daarom zing ik,
Daarom zing ik van genâ.
Van ontferming en verlossing
Door het bloed van Golgotha.
Daarom zing ik U, Die stervend
Alles, alles hebt volbracht.
Lam Gods, dat de zonde wegneemt,
Lam van God, voor ons geslacht.

2. 'k Heb geloofd en daarom hoger,
Hoger dan Kalvarie's top.
Zie ik boven lucht en wolken
Hogepriester tot U op:
Die in 't ware tabernakel
Voor Gods aanschijn t' allen tijd,
Als haar Hoofd voor Uw gemeente
Strijdend bidt en biddend strijdt.

3. 'k Heb geloofd in U, Wie d' aarde
Met haar doornen heeft gekroond,
Maar Die nu, gekroond met ere,
Aan Gods rechterzijde troont;
U, aan wiens doorboorde voeten
eenmaal in het gans heelal,
Hier daarboven en hieronder
Alle knie zich buigen zal.

4. Ja, 'k geloof, en daarom zing ik
Daarom zing ik U ter eer,
's Werelds Heiland, Hogepriester,
Aller heren Opperheer!
Zoon van God en Zoon des mensen,
O, kom spoedig in Uw kracht,
Op des hemels wolken weder!
Kom, Here Jezus, kom! Ik wacht.

We verlaten in stilte de kerk

Gezegende Paasdagen!


-------------------------------------------------------------------------------------
Wat vooraf ging:


Maandag 30 maart 2015 Maandag 6 april 2020

Het proces tegen JEZUS – de aanloop

Welkom en gebed (Babs)

Het proces tegen Jezus stelt ons nog steeds voor grote raadsels.
Heeft Jezus – volgens de Joodse wetgeving - wel een eerlijk proces gehad?
Wie waren tijdens het proces de hoofdrolspelers?
Wie heeft Hem eigenlijk ter dood veroordeeld?
Dragen de Joden de schuld aan de dood van de rabbi van Nazaret?
En hoe is de merkwaardige gang van zaken van het proces voor Pontius Pilatus verklaarbaar?

Op deze vragen proberen we in deze Stille Week een antwoord te vinden.
We lezen in de Bijbel hoe de evangelist Lucas zijn visie geeft op dit proces. Algemeen wordt aangenomen dat hij als arts – na een gedegen onderzoek – de meest betrouwbare weergave geeft van dit meest opzienbarende proces van de hele wereldgeschiedenis:
Het proces tegen Jezus !

Het is goed om ieder jaar een week van bezinning te vieren, waarin we dagelijks als volgelingen van Jezus, zijn lijden, sterven en opstanding uit de doden gedenken.

Zingen: Uit aller mond 27: 1 en 4 (op de wijs van gezang 120)
1.         Heft op uw hoofden, poorten wijd!
Hij komt, de Heer der heerlijkheid,
Een Koning, groot van majesteit,
Een Heiland vol barmhartigheid!
Het heil, het leven brengt Hij weer.
Juicht allen! Zingt de Koning eer,
Nu Christus, groot van daad,
De poorten binnengaat.

4.         Heft op uw hoofden, poorten wijd!
Elk hart zij Hem ter woon bereid!
De palmen van uw eerbied spreidt
De weg langs, die uw Koning rijdt.
Hij komt tot u met troost en vree
En brengt u heil en liefde mee.
Geprezen zij de Heer.
Hij geeft u ‘t leven weer!



Schriftlezing: Lucas 19: 29-48  (BGT) (Eise)
Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van de dorpen Betfage en Betanië, bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit. Hij zei tegen hen: 'Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar een jonge ezel zien, die vastgebonden staat. Er heeft nog nooit iemand op gereden. Maak hem los en breng hem hier. Misschien vraagt iemand: 'Wat doen jullie daar?' Dan moetje zeggen: 'De Heer heeft deze ezel nodig."


De twee leerlingen gingen naar het dorp. Daar gebeurde alles precies zoals Jezus gezegd had. Toen de leerlingen de ezel losmaakten, vroegen de eigenaars: 'Wat doen jullie daar?' De leerlingen zeiden: 'De Heer heeft deze ezel nodig.'
De leerlingen brachten de ezel bij Jezus. Ze legden hun jassen op de rug van de ezel, en lieten Jezus erop zitten. Andere leerlingen legden hun jas op de weg.

Zo ging Jezus naar Jeruzalem. Toen hij van de Olijfberg begon af te dalen, werden al zijn leerlingen blij. Ze dankten God voor alle wonderen die ze gezien hadden. Ze juichten en riepen: 'Leve de koning, de man die door God gestuurd is! Vrede in de hemel en alle eer aan God!'
Tussen de mensen stonden ook een paar farizeeën. Zij zeiden tegen Jezus: 'Meester, zeg tegen uw leerlingen dat ze stil moeten zijn!'

Maar Jezus antwoordde: 'Luister naar mijn woorden: Als mijn leerlingen stil zouden zijn, dan zouden de stenen gaan juichen en roepen!'
Jezus was nu dichtbij Jeruzalem. Toen hij de stad zag, begon hij te huilen. Hij zei: 'Jeruzalem, je inwoners hebben niet geluisterd! Vandaag is de vrede heel dichtbij voor hen, maar dat zien ze niet. Daarom zullen hun vijanden komen. Die zullen jou aanvallen, Jeruzalem.

Ze komen van alle kanten, ze zullen je omsingelen. Ze zullen je vernietigen. Ze zullen al je inwoners doden en alle huizen verwoesten.
Jeruzalem, ik ben gekomen vrede te brengen. Maar jouw inwoners hebben dat niet begrepen. Daarom zullen al die dingen gebeuren.'
Daarna ging Jezus de tempel binnen en begon de handelaars weg te jagen. Hij zei tegen hen: 'In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats om te bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!'

Jezus was elke dag in de tempel om uitleg te geven over God. De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk wilden hem doden. Maar ze wisten niet hoe. Want er waren steeds heel veel mensen bij Jezus, omdat ze graag naar hem luisterden.

Zingen: Palmzondag (F. den Harder; mel. Lied 487)
1.  Wij zijn op weg naar Gods Jeruzalem
en trekken al de takken van de bomen,
wij wachten op de Koning, eren Hem
want Hij vervult de allerstoutste dromen.
Hij maakt ons vrij, wij geven Hem de stem
van ons verlangen: “dat de vrede kome.”

2.  De vredevorst komt op een ezel aan,
de mensen moeten allen voor Hem buigen;
wij maken nu voor Hem een vreugdebaan,
en zullen hosianna voor Hem juichen.
Daar komt Hij aan, een koning zonder eer,
de vredevorst is voor de armsten Koning.

3.  Straks roept het hele volk in koor kruis Hem,
     zij willen hem niet meer hun koning maken.
     Hij geeft aan ons verlangen niet zijn stem
     en kan daardoor ons vragend hart niet raken.
     Juichen zal dan de dode kille steen,
     want God zal het toch Pasen voor ons maken.

Overdenking (Henk Helmantel)

Muzikaal moment: Gospelkoor Spirit uit Ten Boer
-Lenten Meditation
-Via Dolorosa

Gedicht: (Babs)
Gebed in de lijdenstijd
Coby Poelman-Duisterwinkel
Zo tegen Pasen
valt mijn geest een beetje stil,
verzet mijn wil zich
tegen Christus' lijden.
Van kinds af aan
had ik er moeite mee,
die boze menigte
en hun geschreeuw,

ik kon er nooit goed tegen
hoe Jezus, zo integer
het doelwit was van razernij.
Nog raakt het mij
en telkens weer
zou ik het willen overslaan
en overgaan naar Pasen
maar dat zou niet eerlijk zijn
zo is het niet gegaan.

Al toen de juf het ons
op school vertelde
sloot ik mijn ogen,
stopte oren dicht,
dit wilde ik niet horen,
ik zag het voor me
hoe ze schreeuwden:
"Laat Bar-abbas los
en kruisig Hem".

Inmiddels ben ik gaan begrijpen
dat alles zo moest gaan
als was voorzegd
en dat U in de plaats van ons
dit alles hebt doorstaan.
Nog voel ik elke lijdenstijd
Uw zielenpijn
om wat wij U
aan zonden
hebben aangedaan.



O liefdevolle Heer,
hoe kan ik U bedanken
voor al Uw bloed
om ons bevrijd te laten gaan.

Stiltemoment
Gebed (Henk)
Eise:
Elke dag doven we één van de adventskaarsen die we in de weken voor de viering van het Kerstfeest hebben aangestoken.
De kaarsen symboliseren het licht dat in de wereld is gekomen met de komst van de Zoon van God naar deze aarde.
Zijn licht doorbreekt de duisternis van de wereld.

Nu, in deze Stille Week, wordt het steeds donkerder rondom Hem.
De duisternis lijkt het weer te gaan winnen van het licht.
Als Jezus sterft op Goede Vrijdag is het helemaal donker geworden.
Maar op Paasmorgen, de dag van de opstanding uit de dood, straalt voor ons opnieuw zijn licht.

De eerste kaars wordt gedoofd. (Eise)

Zingen: Gezang 173
1.  Alles wat over ons geschreven is
gaat Gij volbrengen deze laatste dagen,
alle geboden worden thans voldragen,
alle beproeving van de wildernis.

2.  Gods schepping die voor ons gesloten bleef
ontsluit Gij weer, Gij opent onze harten,
die Zoon van David zijt en Man van Smarte,
Koning der Joden die de dood verdreef.

3. Jezus, de haard van uw aanwezigheid
zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken.
Gij gaat vooraan, Gij zult ons niet ontbreken,
Gij Hogepriester in der eeuwigheid.

4.  Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan,
aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven,
ons is een lofzang in de mond gegeven,
sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.

5.  Dit is uw opgang naar Jeruzalem
waar Gij uw vrede stelt voor onze ogen,
vrede aan allen die uw naam verhogen:
heden hosanna, morgen kruisigt Hem!

We verlaten in stilte de kerk


--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Dinsdag 7 april 2020

Het proces tegen JEZUS – de arrestatie

Welkom en gebed (Corry)

Zingen: Gezang 175: 1, 2 en 4
1.  O wij arme zondaars, bedelaars onrein,
die in zonde ontvangen en geboren zijn, -
onze schulden brachten ons in zo grote nood,
dat met lijf en ziel wij vervielen aan de dood.
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.

2. Had de Here Jezus ons niet opgezocht,
mens onder de mensen, en ons vrijgekocht,
Hij alleen tot sterven voor anderen bereid. –
wij waren verloren in alle eeuwigheid:
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.

4. Lof zij U, Heer Jezus, die, in grote nood,
eenzaam en verlaten stierf de bittre dood,
U die met de Vader zult heersen voor altijd:
leid ons arme zondaars , o Heer, ter zaligheid
Kyrie eleison, 
Christe eleison
Kyrie eleison. 

Schriftlezing: Lucas 22: 1-6 en 47-54 (NBG ’51) (Afie Nienhuis)
Het feest nu der ongezuurde broden, dat Pascha genoemd wordt, naderde. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem uit de weg konden ruimen, want zij waren bang voor het volk. En de satan voer in Judas, genaamd Iskariot, die tot het getal der twaalven behoorde.

En hij ging heen en besprak met de overpriesters en hoofdlieden, hoe hij Hem aan hen zou overleveren. En zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven. En hij stemde daarmede in en zocht een goede gelegenheid om Hem, buiten de schare om, aan hen over te leveren.

Terwijl Hij nog sprak, zie, daar kwam een schare en hij, die Judas genoemd werd, één van de twaalven, liep voor hen uit en hij naderde Jezus om Hem te kussen. En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij de Zoon des mensen met een kus? Toen zij, die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden zij: Here, willen wij met het zwaard erop slaan? En iemand van hen trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af. Maar Jezus antwoordde en zeide: Laat het hierbij.
En Hij raakte het oor aan en genas hem.
Jezus dan zeide tot de overpriesters en hoofdlieden van de tempel en oudsten, die op Hem afgekomen waren: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken? Terwijl Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt gij geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw ure en de macht der duisternis. Toen zij Hem gevangengenomen hadden, voerden zij Hem weg en leidden Hem naar het huis van de hogepriester.

Schriftlezing: Lucas 22: 1-6 en 47-54 (BGT) (Erin)
Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Joden eten dan brood zonder gist. De priesters en de wetsleraren wilden Jezus doden, maar ze waren bang voor het volk.
Toen kwam de duivel in Judas Iskariot, één van de twaalf leerlingen. Judas ging naar de priesters en de officieren van de tempel. Hij besprak met hen hoe ze Jezus gevangen konden nemen, en hoe hij daarbij kon helpen.

De priesters en de officieren waren daar blij mee, en ze beloofden om hem daarvoor te betalen. Dat vond Judas goed. Hij begon na te denken over een goed moment om Jezus gevangen te nemen. Want dat moest gebeuren zonder dat het volk het zou merken.
Terwijl Jezus dat zei, kwam er een groep mannen aan. Judas, één van de twaalf leerlingen, liep voorop. Hij ging naar Jezus toe en groette hem met een kus.

Maar Jezus zei: 'Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?'
Toen de leerlingen begrepen wat er ging gebeuren, vroegen ze: 'Heer, zullen we onze zwaarden pakken?' En één van de leerlingen pakte zijn zwaard en sloeg de knecht van de hogepriester. Hij sloeg zijn rechteroor eraf. Maar Jezus zei: 'Stop, genoeg!' En hij pakte het oor en maakte de man weer beter.

Er waren priesters, officieren van de tempel en leiders van het volk meegekomen om Jezus gevangen te nemen. Jezus zei tegen hen: 'Jullie zijn hier gekomen met zwaarden en stokken. Alsof ik een gevaarlijke misdadiger ben. Elke dag was ik bij jullie in de tempel, maar toen namen jullie mij niet gevangen. Nu is het moment gekomen waarop jullie gewacht hebben. Nu laat de duisternis haar macht zien.'
De mannen grepen Jezus vast en brachten hem naar het huis van de hogepriester.

Zingen: Gezang 180: 1, 6 en 7
1.  Gethsémane, die nacht moest eenmaal komen.
De Heiland heeft bewust die weg genomen.
Hij laat zijn doel niet los, wijkt niet terzijde,
aanvaardt het lijden.

6. In angst en tranen werd zijn strijd gestreden.
Toen kon Hij toebereid naar voren treden.
De duisternis kon, wat zij mocht verzinnen,
Hem niet verwinnen.

7. Hier zijn wij, Heer, een afgeweken schare,
wij, die zo zorgeloos, zo ontrouw waren.
Verander ons en reinig onze harten,
o Man van smarten!  

Overdenking: ds. Wouter van Wingerden

Muzikaal moment: Chrevent
-Blessed Redeemer
-Stil mijn ziel wees stil



Gedicht: (Afie Nienhuis)
Judas
Jelly Verwaal
Ik vraag me af, wat Judas heeft bezield
toen hij de Heer, zijn Meester, ging verraden.
Hoe kwam de volgeling tot deze daden;
bezweek hij toch teneinde voor het kwade,
waardoor hij in de diepste diepte viel?

Hij zat met Jezus aan het avondmaal.
Ontving het brood, de wijn, om te gedenken
dat Hij, de Heer, zijn leven zal gaan schenken.
Op dát moment had hij nog kunnen zwenken,
maar wordt weer door de satan ingehaald.

"Jij bent het, Judas, die mij straks verraadt.
't Zou beter zijn als je nooit was geboren".
Zal Judas nog naar deze boodschap horen,
zodat hij 't kwaad nog in de kiem kan smoren?
Maar toch kiest Judas voor zijn laffe daad.

Voor dertig zilverlingen judasloon,
betaald om van de Heiland af te komen.....
't Was alles in Gods heilsplan opgenomen,
opdat het levend water kon gaan stromen.
En Judas..... zag zijn duivelsdroom bekroond.

**********

En tóch is de verrader van Gods Zoon
tot schuldbesef, tot diep berouw gekomen:
't Onschuldig bloed, dat door zijn schuld moest stromen,
gevolg, dat hij zich 't leven heeft benomen.
Ontving hij nog genade als zijn loon….?

Stiltemoment
Gebed  (ds. Wouter van Wingerden)
Erin:
Elke dag doven we één van de adventskaarsen die we in de weken voor de viering van het Kerstfeest hebben aangestoken.
De kaarsen symboliseren het licht dat in de wereld is gekomen met de komst van de Zoon van God naar deze aarde.
Zijn licht doorbreekt de duisternis van de wereld.

Nu, in deze Stille Week, wordt het steeds donkerder rondom Hem.
De duisternis lijkt het weer te gaan winnen van het licht.
Als Jezus sterft op Goede Vrijdag is het helemaal donker geworden.
Maar op Paasmorgen, de dag van de opstanding uit de dood, straalt voor ons opnieuw zijn licht.

De tweede kaars wordt gedoofd. (Erin)

Zingen: Gezang 182: 1, 2 en 6
1.  Jezus, leven van ons leven
Jezus, dood van onze dood,
Gij hebt U voor ons gegeven,
Gij neemt op U angst en nood,
Gij moet sterven aan uw lij den
om ons leven te bevrijden.
Duizend, duizendmaal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer.

2. Gij die alles hebt gedragen,
al de haat en al de hoon,
die beschimpt wordt en geslagen,
Gij rechtvaardig, Gij Gods Zoon,
als de minste mens gebonden,
aangeklaagd om onze zonde.
Duizend, duizendmaal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer.

6. Dank zij U, o Heer des levens,
die de dood zijt doorgegaan,
die Uzelf ons hebt gegeven
ons in alles bijgestaan,
dank voor wat Gij hebt geleden
in uw kruis is onze vrede.
Voor uw angst en diepe pijn
wil ik eeuwig dankbaar zijn.

We verlaten in stilte de kerk



----------------------------------------------------------------------------------------------------

Woensdag 8 april 2020

Het proces tegen JEZUS – de ondervraging

Welkom en gebed (Annet)

Zingen: Gereformeerd Kerkboek Gezang 140: 1 en 2
1. Alle roem is uitgesloten.
Onverdiende zaligheen,
heb ik van mijn God genoten,
‘k roem in vrije gunst alleen.
Ja , eer ik nog was geboren,
eer Gods hand die alles schiep,
heeft zijn liefde mij verkoren:
iets uit niet tot aanzijn riep,
God is liefde; o englen stem,
Mensentong verheerlijkt Hem!

2. Alzo lief had God de wereld,
Dat Hij zijnen eigen Zoon,
Voor die afgevallen wereld
overgaf aan smaad en hoon. 
Ja, toen wij nog zondaars waren,
Schonk d’ontfermer ons gena,
Stierf zijn Zoon op Golgotha,
Stierf voor ons, die zondaars waren;
God is liefd’, o engelstem,
Mensentong, verheerlijkt Hem!

Schriftlezing: Lucas 22: 66-71 (NBG ’51) (Joke Koenes)
En toen het dag geworden was, kwam de Raad van de oudsten van het volk bijeen, overpriesters en schriftgeleerden, en zij leidden Hem voor hun Raad, en zeiden: Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons dan. Hij zeide tot hen: Al zeide Ik het u, gij zoudt het toch niet geloven; en al zou Ik u vragen, gij zoudt toch niet antwoorden.

Van nu aan zal de Zoon des mensen zijn gezeten aan de rechterhand Gods. En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon van God? Hij zeide tot hen: Gij zegt zelf, dat Ik het ben. En zij zeiden: Wat hebben wij verder voor getuigenis nodig? Zelf hebben wij het immers uit zijn mond gehoord.

Schriftlezing: Lucas 22: 66-71 (BGT) (Jet)
De volgende ochtend kwamen de leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren bij elkaar. Jezus werd bij hen gebracht, en ze vroegen hem: 'Zeg eens, bent u de messias?' Jezus zei: 'Jullie geloven toch niet dat ik het ben. En als ik jullie iets vraag, dan geven jullie geen antwoord.  

Maar ik ben de Mensenzoon. En vanaf nu zal ik naast God zitten, aan de rechterkant.' Toen zeiden ze allemaal: 'U bent dus de Zoon van God?' Jezus zei: 'Jullie zeggen zelf dat ik het ben.'
Maar zij zeiden: 'We hebben geen verklaringen over Jezus meer nodig. Want we hebben allemaal gehoord wat Jezus net zelf gezegd heeft.'



Zingen: Voorzichtig licht 16: 1 en 3 (melodie Gezang 483, LvdK 1973)
1. God, die gul de schuld vergeeft, wat wij ook misdeden,
die geen wrok door liefde weeft en geen wraak door vrede,
niet als wij rekent Gij
méér dan voorgeschreven: zeventig maal zeven.

3. Dat wij zijn zoals uw Zoon: onverdiend de slagen,
niet te tellen, zoveel hoon, meer dan wij verdragen –
Hij vergaf! Vader, straf
niemand naar zijn daden; reken toe: genade.

Overdenking: Annet Hofman

Muzikaal moment: enkele leden van Jehova Nissi

Gedicht: (Joke Koenes)
Jezus Hogepriester
Jelly Verwaal
Geen bloed van bokken of van stieren,
waardoor de mens vergeving vond.
Hoe gróót is God, hoe goedertieren,
dat Hij zijn Zoon naar d'aarde zond!

In 't oude zien we reeds contouren
van 't nieuwe, eeuwige verbond:
De weg, die Jezus moest volvoeren,
waardoor de mens vergeving vond.
Hij heeft voor ons de brug geslagen
om tot een heilig God te gaan;
met offerbloed de schuld gedragen
en zó de weg tot God gebaand.

Wij leven onder zijn genade.
Gods huis heeft nu een open poort.
Er is geen enkele blokkade
voor toegang tot dit toevluchtsoord.
Geen bloed van bokken of van stieren
- dát offer is geschiedenis -.
Voor ééuwig mogen wij nu vieren,
dat Jezus Hogepriester is !

Stiltemoment
Gebed (Babs)
Jet:
Elke dag doven we één van de adventskaarsen die we in de weken voor de viering van het Kerstfeest hebben aangestoken.
De kaarsen symboliseren het licht dat in de wereld is gekomen met de komst van de Zoon van God naar deze aarde.
Zijn licht doorbreekt de duisternis van de wereld.

Nu, in deze Stille Week, wordt het steeds donkerder rondom Hem.
De duisternis lijkt het weer te gaan winnen van het licht.
Als Jezus sterft op Goede Vrijdag is het helemaal donker geworden.
Maar op Paasmorgen, de dag van de opstanding uit de dood, straalt voor ons opnieuw zijn licht.

De derde kaars wordt gedoofd. (kind Koenes)

Zingen: Uit aller mond 241: 2, 3 en 4 (melodie Psalm 86)
2. Gods Profeet, wilt U mij geven, luisterend naar U te leven;
doe mij heel uw Woord verstaan, steeds meer in uw wegen gaan.
Richt op U mijn doen en denken,wil meer kennis van U schenken,
laat mij groeien in gena, door uw werk op Golgotha.

3. Hoge Priester wil mij geven door uw offer eeuwig leven.
Was mijn zonden met uw bloed, want alleen uw werk is goed.
Breng mijn bidden tot de Vader, als ik door U tot hem nader.
Zegen mij in uw gena met uw werk op Golgotha.

4. Sterke Koning, wil mij geven nu geheel voor U te leven.
Breek in mij de boze macht, laat mij leven door uw kracht.
Leer mij koninklijk te strijden, en aan U mijn leven wijden.
Geef mij kracht door uw gena uit uw werk op Golgotha.

We verlaten in stilte de kerk

------------------------------------------------------------------------------------------------------
Donderdag 9 april 2020

Het proces tegen JEZUS – de veroordeling

Welkom en gebed (Pia Bolt)

Zingen: Psalm 2: 1 en 4
1.  Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch?
Wat is de waanzin toch die zij beramen?
De groten staan gewapend tot de slag,
de machtigen der wereld spannen samen.
't Is tegen het gezag van God de Here
en tegen zijn gezalfde vorst gericht:
"Komt", zeggen zij, "laat ons hun banden scheuren,
tot alle macht in onze handen ligt"!

4. O machtigen, o koningen, weest wijs.
Laat u gezeggen, rechters zonder rede.
Vreest God den Heer en dient Hem naar zijn eis,
verheugd u bevend, zoekt bij Hem uw vrede.
Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde
gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart
en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.
Maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart.

Schriftlezing: Lucas 23: 13-25 (BGT) (kind)
Pilatus riep de priesters, de leiders en het volk bij elkaar. Hij zei tegen hen: 'Jullie hebben Jezus naar mij toe gebracht met de klacht dat hij het volk in opstand brengt. Daarom heb ik hem hier vragen gesteld. Daar waren jullie zelf bij. Maar volgens mij klopt het niet wat jullie zeggen. Jezus is dus onschuldig. En Herodes vindt dat ook, want hij heeft Jezus naar mij teruggestuurd.

Jezus heeft niets gedaan waarvoor hij gedood zou moeten worden. Dus ik zal hem straffen, maar daarna laat ik hem vrij.'
Maar de mensen schreeuwden allemaal: 'Weg met Jezus! Laat Barabbas vrij!' Barabbas zat in de gevangenis omdat hij iemand vermoord had tijdens een opstand in Jeruzalem.

Opnieuw zei Pilatus tegen de mensen dat hij Jezus wilde vrijlaten. Maar de mensen schreeuwden: 'Jezus moet dood! Hij moet aan het kruis!'
Toen zei Pilatus voor de derde keer: 'Waarom moet ik Jezus laten doden? Hij heeft toch niets verkeerds gedaan? Ik zal hem straffen, en dan laat ik hem vrij.' Maar de mensen begonnen nog harder te schreeuwen: 'Jezus moet aan het kruis!'

Omdat de mensen zo schreeuwden, besloot Pilatus te doen wat ze wilden. Hij liet Barabbas vrij, de man die iemand vermoord had tijdens een opstand. En Jezus gaf hij aan zijn soldaten mee om gedood te worden. Want dat was waar de mensen om vroegen.



Zingen: Zingende Gezegend 146: 1, 2, 3 en 6
1.  O lam dat lijdt en duldt en draagt
de straf die ons de vrede brengt,
tot bloedens toe gestriemd, geplaagd -
geen rechter die U vrijspraak schenkt.
2. De hele wereld klaagt U aan,
Gij zwijgt, Gij spreekt geen wederwoord,
geboeid komt Gij naast mensen staan
die schuldig zijn aan broedermoord.

3. 'Verdwijnen moet die zachte stem,
laat vrij de man die bloed vergiet,
maar kruisig, kruisig, kruisig Hem!
wij gunnen Hem de vrijheid niet!'
6. O Heer, wij kiezen niet voor U,
maar Gij, die ons de vrede brengt,
Gij kiest voor ons, kiest hier en nu,
o rechter die ons vrijspraak schenkt!

Overdenking: ds. Gerwin Pruijssen

Muzikaal moment: Kirsten en Petra Kock
  • Meer dan rijkdom
  • Via Dolorosa



Gedicht: (Anita)
Bij het kruis
Co ’t Hart
Wie heeft Hem in ’t gezicht geslagen
en Hem beledigd met die Kroon?
Wie bleef steeds weer vol twijfel vragen:
Is Hij wel werkelijk Gods Zoon?

Wie bleef van verre toe staan kijken
en wie verdobbelde Zijn kleed?
O, wie van ons, die Christus liefheeft,
kan zeggen, dat hij dat niet weet?
Wij hebben Hem die weg doen lopen,
Hij hing aan ’t Kruis door onze schuld,
wij hebben steeds de Wet ontdoken,
die Hij vol Liefde heeft vervuld.

Wie laat zich slaan als Hij de macht heeft?
Wie draagt een kroon, die Hem bespot?
Wie laat Zijn kleed in vuile handen?
Wie sterft als slaaf al is Hij God?
Het is de God, die ons gezocht heeft,
die ons, verdwaalden in de nacht,
de Weg ten Leven heeft gewezen,
ons allen bij het Kruis verwacht.

Stiltemoment
Gebed (ds. Gerwin Pruijssen)
Elke dag doven we één van de adventskaarsen die we in de weken voor de viering van het Kerstfeest hebben aangestoken.
De kaarsen symboliseren het licht dat in de wereld is gekomen met de komst van de Zoon van God naar deze aarde.
Zijn licht doorbreekt de duisternis van de wereld.

Nu, in deze Stille Week, wordt het steeds donkerder rondom Hem.
De duisternis lijkt het weer te gaan winnen van het licht.
Als Jezus sterft op Goede Vrijdag is het helemaal donker geworden.
Maar op Paasmorgen, de dag van de opstanding uit de dood, straalt voor ons opnieuw zijn licht.

De vierde kaars wordt gedoofd. (Iris)

Zingen: Evang. Liedbundel 189a: 1 en 2 / 189b: 3
1.  Vaste Rots van mijn behoud,
als de zonde mij benauwt,
laat mij steunen op uw trouw,
laat mij rusten in uw schauw,
waar het bloed, door U gestort,
mij de bron des levens wordt.

2.  Jezus, niet mijn eigen kracht,
niet het werk door mij volbracht,
niet het offer dat ik breng,
niet de tranen die ik pleng,
schoon ik om mijn zonden ween,
kunnen redden, Gij alleen.

3.  Ja, Gij zijt het die mij redt,
van uw eigen strenge wet,
van mijn eigen dwaze schuld
die Gij delgt in uw geduld;
God, die al mijn kwaad verdroeg,
Uw genade is genoeg.

We verlaten in stilte de kerk


 
terug